Less is more, hoe ziekenhuizen samen stoppen met niet‑zinnige zorg
De druk op de ziekenhuiszorg is al jaren voelbaar met lange wachttijden, overvolle poli’s en schaarste aan personeel. Tegelijkertijd is er een groeiend besef dat niet alle zorg die nu geleverd wordt, daadwerkelijk waarde toevoegt voor patiënten. Vanuit dat spanningsveld is de beweging Less is more ontstaan, een landelijk traject, gecoördineerd vanuit ZE&GG en uitgevoerd samen met de Federatie Medisch Specialisten en Patiëntenfederatie Nederland om doelgericht te werken aan het afbouwen van zorg die weinig of geen meerwaarde voor de patiënt heeft.
Volgens Ilsalien Bakker, medisch adviseur en projectleider van het traject vanuit programma Zorgevaluatie & Gepast Gebruik (ZE&GG) is de beweging vooral krachtig omdat het vanuit het veld zelf komt. Dokters én patiënten willen af van handelingen en controles die niets opleveren. “Niemand wordt blij van zorg die niet helpt,” zegt ze. “En elke minuut die je besteedt aan onnodige zorg, kun je niet investeren in patiënten die wél zorg nodig hebben.”
Anders kijken naar richtlijnen
Less is more wijkt in een belangrijk opzicht af van de reguliere onderwerpen op de Landelijke MSZ‑implementatieagenda. Gewoonlijk worden aanbevelingen in de richtlijn pas aangepast op basis van nieuw wetenschappelijk bewijs. Bij Less is more is het een andere interpretatie van bewijs en is het eigenlijk omgekeerd. Veel handelingen staan al jaren in richtlijnen zonder dat er ooit overtuigend bewijs bestond om ze wél te doen. De COVID-periode liet bovendien zien dat het uitstellen van sommige controles geen nadelige gevolgen had voor patiënten.
“Voor veel van deze handelingen is het al langer duidelijk dat de meerwaarde miniem is,” zegt Bakker. “Dan wil je niet nóg eens jaren onderzoek afwachten voordat je er iets aan kunt veranderen.”
De insteek van Less is more is daarom pragmatisch en gezamenlijk. Twaalf wetenschappelijke verenigingen in de medisch-specialistische zorg (MSZ) dienden in 2025, in nauwe afstemming met patiëntenorganisaties, voorstellen in voor de‑implementatie van niet bewezen effectieve handelingen in bestaande zorg. Er werden 18 projecten gehonoreerd en gesubsidieerd door ZE&GG, waarvan er inmiddels 17 lopen. In 2026 worden de richtlijnen voor deze zorg aangepast, de noodzakelijke eerste stap om landelijk te kunnen veranderen hoe deze zorg wordt geleverd.
Dat is ambitieus want normaal gesproken duurt een volledig richtlijntraject soms meerdere jaren. Nu moet alles eind december 2026 gereed zijn. Het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) gebruikt hiervoor het reguliere proces, maar met strakkere tijdlijnen en duidelijke focus.
De ijsbreker, minder endoscopieën in de MDL‑zorg
Het bekendste voorbeeld is het project van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen (NVMDL). Bij patiënten met een laag-risico Barrett-slokdarm werden jarenlang routinematige gastroscopieën uitgevoerd. Door COVID viel die zorg tijdelijk weg zonder dat patiënten slechter af waren. Dat gaf de doorslag om de follow‑up structureel te verminderen.
De nieuwe richtlijn is inmiddels van kracht. In de praktijk betekent dit dat duizenden patiënten niet langer een endoscopie hoeven te ondergaan, en dat wachttijden niet verder oplopen voor de mensen die écht een endoscopie nodig hebben. Ziekenhuizen merken dit direct. Endoscopieprogramma’s veranderen, de planning wordt anders ingericht en het gesprek met patiënten verschuift. “Dat onderwerp laat het effect van de hele beweging richting passende zorg goed zien,” aldus Bakker. “Zodra je stopt met iets dat weinig toevoegt, ontstaat er ruimte, die nu gevuld wordt door de lange wachtlijsten.”
Het voorbeeld laat ook zien hoe snel de beweging landelijk kan gaan. Het overgrote deel van de ziekenhuizen volgt de nieuwe richtlijn al, maar zoals bij elke verandering loopt dit bij de één sneller dan de ander.
Van appendicitis tot oncologie
In totaal worden er momenteel 17 onderwerpen aangepakt. Het gaat om uiteenlopende voorbeelden:
- In de chirurgie wordt bij een simpele acute blindedarmontsteking steeds vaker gekozen voor antibiotica in plaats van een operatie. Door de eerdere media‑aandacht hierover vragen patiënten daar soms al zelf om.
- In de neurologie wordt onderzocht hoe patiënten met een licht herseninfarct veilig thuis kunnen herstellen, zonder de standaard klinische opname ter observatie.
- Binnen verschillende oncologische vakgebieden wordt de follow‑up verkort of verminderd, omdat intensieve controles niet altijd bijdragen aan betere uitkomsten maar wel meer belastend zijn.
Elk onderwerp vraagt andere maatregelen. Soms gaat het vooral om afspraken op de poli, soms om het aanpassen van protocollen op de spoedeisende hulp en soms om uitgebreide communicatie met patiënten die al jaren een bepaald controleschema gewend zijn. Vooral dat laatste vraagt extra aandacht. “Nieuwe patiënten kun je direct volgens het nieuwe zorgpad informeren,” zegt Bakker. “Bestaande patiënten moeten begrijpen waarom iets verandert. Dat vraagt tijd en goede uitleg.”
Daarom is de Patiëntenfederatie Nederland nauw betrokken bij alle trajecten, zowel bij inhoudelijke keuzes, tekstvoorstellen en communicatiemateriaal als bij klankbordgroepen.
Merkbare beweging in ziekenhuizen
Hoewel de meeste richtlijnen nog in ontwikkeling zijn, merken ziekenhuizen nu al dat de beweging leeft. Patiënten stellen vragen over onderwerpen die in het nieuws zijn geweest. Sommige vakgroepen zien dat de vraag naar bepaalde handelingen verschuift. En op de achtergrond zijn projectgroepen binnen ziekenhuizen al bezig met het voorbereidende werk. Bijvoorbeeld het herschrijven van zorgpaden, het aanpassen van protocollen en het afstemmen met ondersteunende disciplines zoals verpleegkundig specialisten en triage‑teams.
De echte landelijke implementatie start zodra de richtlijnen definitief zijn, naar verwachting vanaf begin 2027. Dan worden de onderwerpen opgenomen op de Landelijke MSZ‑implementatieagenda die ziekenhuizen jaarlijks uitvoeren. Binnen twee jaar moeten onderwerpen die op die agenda staan volledig zijn geïmplementeerd. Daarvoor komt landelijke monitoring beschikbaar, onder meer via declaratiegegevens, om zichtbaar te maken of bepaalde zorg daadwerkelijk verdwijnt.
Wat het gaat opleveren
De verwachting is dat het stoppen met niet‑zinnige zorg uiteindelijk leidt tot meer ruimte voor noodzakelijke zorg. Maar dat effect is nog niet direct zichtbaar. De zorgvraag is groot en wachttijden zijn lang, waardoor vrijgekomen capaciteit direct wordt benut. Toch ziet Bakker duidelijk hoe de beweging op langere termijn verschil kan maken.
Ze noemt als belangrijk voordeel de betere toegankelijkheid van zorg. “Als er minder tijd opgaat aan handelingen zonder toegevoegde waarde, komt er meer tijd voor patiënten die het nodig hebben. Dat geldt zowel voor poli’s als voor diagnostiek en opnames.
Maar ook de verminderde belasting voor patiënten is een belangrijk aspect. Veel mensen vinden bloedprikken, controles en uitslagen spannend en ook belastend. Als het niet nodig is, dan betekent minder doen óók minder onzekerheid en minder impact op het dagelijks leven.
En het levert ook een cultuuromslag in richtlijnontwikkeling op. De Federatie Medisch Specialisten heeft gewerkt aan een handreiking voor het formuleren van aanbevelingen in richtlijnen waardoor deze specifieker en dus duidelijker worden. Waar vroeger vaak ‘overweeg’ stond, komt nu vaker een duidelijke aanbeveling om iets wél of juist níét te doen. Dat maakt richtlijnen sterker én leidt tot passende zorg.
Gedragen door artsen én patiënten
Wat Less is more onderscheidt van veel andere initiatieven, is dat het enthousiasme zichtbaar en voelbaar uit het veld komt. Niet vanuit bezuinigingen, maar vanuit de inhoud. “Dit is geen project dat bovenaf wordt opgelegd,” benadrukt Bakker. “Het is een beweging die vanuit intrinsieke motivatie is ontstaan. Artsen willen hun tijd besteden aan de patiënten die dat het hardst nodig hebben. Patiënten willen geen zorg die niets toevoegt. Die twee komen hier perfect samen.”
Zorgprofessionals die binnen het eigen ziekenhuis ideeën hebben om bepaalde zorg te verminderen, kunnen het beste beginnen binnen de eigen vakgroep, adviseert Bakker. Onderwerpen kunnen uiteindelijk alleen landelijk worden opgepakt wanneer er draagvlak is binnen de bredere wetenschappelijke vereniging en de betrokken patiëntenorganisaties.
Daarnaast is het zinvol om gebruik te maken van de implementatie‑ en de‑implementatiekennis die veel ziekenhuizen inmiddels in huis hebben. "Niet elke zorgprofessional weet dat, maar vrijwel ieder ziekenhuis heeft adviseurs die ervaring hebben met het aanpassen van zorgpaden, het begeleiden van implementaties en het ondersteunen van gesprekken met patiënten.”
Verandering in het veld
Hoewel de eerste onderwerpen nu worden uitgewerkt en richting de-implementatie gaan, is de verwachting dat Less is more niet blijft bij deze 17 projecten. Er wordt al nagedacht over vervolgonderwerpen, mits er financiering en vooral draagvlak voor is. De beweging verandert ook hoe het veld naar richtlijnen en zorgprocessen kijkt.
Voor Bakker is dat misschien wel het belangrijkste: “We zetten iets in gang dat groter is dan deze lijst aan onderwerpen. We creëren een manier van denken waarbij zorg die niets toevoegt niet meer vanzelfsprekend blijft bestaan.”